Het Paradijs onderweg

Openingswoorden

voor de Janpeter Muilwijk expositie “In Paradisum, over de kalmte van de ziel” in het Stedelijk Museum van Kampen, door Renée van Riessen, hoogleraar filosofie in Leiden, dichter en oud-docent van Janpeter Muilwijk aan de kunstacademie in Kampen, later Zwolle.

Titel van de expositie van Janpeter Muilwijk in het Stedelijk Museum van Kampen
Titel van de expositie van Janpeter Muilwijk in het Stedelijk Museum van Kampen

Het is bijzonder voor mij om hier te mogen staan op dit moment. Alsof er een afstand overbrugd wordt in de tijd. Vanaf nu, ongeveer 30 jaar terug reizend, of iets meer… toen in ditzelfde Kampen (de plaats bleef dus hetzelfde) de wegen van Janpeter en mijn wegen elkaar kruisten in een gebouw iets verderop, de Van Heutsz Kazerne, waar toen de CABK gevestigd was: de Christelijke Academie voor Beeldende Kunst. Janpeter studeerde daar, ik was er in die tijd docent filosofie. Janpeter en Katja kwam ik tegen toen zij, als ik me goed herinner, in de tweede klas zaten. Tot grote woede van Katja stelde ik in haar klas de vraag of ze wel eens van Sartre gehoord hadden Zij wel, de anderen duidelijk niet trouwens, dus het kwam wel goed met die les.

Janpeter en ik kregen later weer contact via een gedeelde interesse voor de relatie tussen kunst en religie. Een paar jaar geleden kwam hij op mijn uitnodiging spreken op zijn oude Academie, die in Zwolle is verder gegaan als onderdeel van ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten. Het ging toen over het offer motief in zijn werk.

Van die lezing met lichtbeelden herinner ik mij één beeld nog goed, we hadden het samen ook in Middelburg al bekeken en besproken, in zijn atelier: een lam dat met een uitgestreken en onschuldige blik in de ogen een ladder beklimt. Of eigenlijk is het geen ladder, maar een keukentrapje:

Treffend voorbeeld van de manier waarop Janpeter Muilwijk de grote thema’s vertaalt naar de sfeer van het binnenhuiselijke.

Want die ladder, dat zou zomaar de paradijsladder kunnen zijn waarover de 6e eeuwse monnik en asceet Johannes Climacus een mystiek werk schreef: over de opstijging van de ziel naar het eeuwige leven. En tegelijk doet het laddertje denken aan schilderijen waarop een kruisafneming te zien is, ook daar tref je vaak een ladder aan. Het lam op de tekening van Janpeter is natuurlijk het Lam Gods. Dat beklimt voor ons de ladder naar het paradijs. Maar die ladder is een keukentrapje.

Wat betekent dat? Voor mij wil het zeggen dat Janpeter Muilwijk de symbolen en beelden die wij meestal ver van ons weg plaatsen, liever wat dichterbij haalt: in het hier en nu, zo dicht mogelijk op de huid. Daar wil hij ze betrappen door ze te tekenen; om ons iets te laten zien. Laten zien, of leren zien. Zodat ons de ogen geopend worden. Dit zou een citaat kunnen zijn uit het Evangelie dat vaak onderhuids aanwezig in deze tekeningen en textielen; het ligt er niet bovenop maar klopt er, onder de oppervlakte.

Reizigers
Reizigers

Waarvoor gingen mijn ogen open toen ik het werk van deze tentoonstelling te zien kreeg? Meteen valt op: heel veel mensenfiguren. Wat een menselijk werk. Nergens ontbreekt de menselijke figuur. We zien onszelf. Soms als eenling, maar even zo vaak als paar, mensenpaar, teruggebracht tot het eerste paar, Eva en Adam. Soms is er spraken van een groep: een familie, een groep mensen met elkaar verbonden als wijnranken aan een wijnstok.

Wijnstok
Druivenoogst, 2010

Samen vertellen ze het verhaal van het paradijs, want daar zijn ze, die mensen, of daar komen ze vandaan, of daarheen zijn ze op weg of op zoek.

Dat brengt me even bij de titel – in paradisum. Voor de zekerheid heb ik het Janpeter gevraagd, maar hij heeft met opzet in paradisum gekozen en niet in paradiso. Dat laatste zou “in het paradijs” betekenen [ denk maar aan in vitro fertilisatie – iets dat in de reageerbuis gebeurt, een aanduiding van plaats dus]. In paradisum drukt iets anders uit: niet een toestand, een plaats waar je bent, maar een beweging. Naar het paradijs. Het is een citaat uit de requiemmis, waar de overledene toegezongen wordt “in paradisum deducant te angeli”: mogen de engelen je naar het paradijs begeleiden.

Aannemend dat de titel van de tentoonstelling bewust gekozen is ( en dat kunt u nu gerust aannemen, ik heb het geverifieerd) krijgen we dus niet beelden van het paradijs te zien, maar zit er in deze beelden altijd een afstand tot het paradijs. De figuren die we zien zijn niet in het paradijs, in de paradijselijke toestand, maar verschijnen als gescheiden van het paradijs, soms op zeer subtiele wijze, door een hekje bijvoorbeeld, of doordat ze een kledingstuk aan hebben, of doordat zich achter hun rug stekelige takken bevinden waaraan ze zich kunnen bezeren.

Maar wat is dan toch het paradijs, en wat haalt de herinnering aan paradijs in ons naar boven? Het is de toestand voor alles begint werkelijk te worden. Voorbij goed en kwaad, een toestand van pure onschuld, onwetendheid, en huppelende blijheid. Een toestand dus die zo ver voor al ons weten en bewustzijn ligt dat het wel onmogelijk moet zijn om er weer in terug te keren. Wij zijn intussen ver van het paradijs, en elke keer weer verder als we om ons heen kijken, de krant opslaan. Als ik ’s morgens met mijn hond in het groene gebied rondom Kampen loop zie en hoor ik de vogels – paradijs! – , maar ik zie ook de plastic zakken en colablikjes van de vorige avond in het water liggen.

‘Paradijs’ is een woord dat in de Hebreeuwse bijbel niet voorkomt. Daar wordt gesproken over de hof van Eden. In de Griekse vertaling werd daarvoor het woord parádeisos gebruikt dat afgeleid is van een woord uit de Perzische cultuur paira-daēza dat “omheining” of “het ommuurde” betekent. In het christelijk latijn werd dat paradisus, en dit woord begon men te gebruiken voor de ‘hof van Eden’ die in Genesis wordt genoemd.

De hof van Eden is een tuin door God zelf aangelegd waar Hij (ik citeer nu uit Genesis 2) “allerlei bomen deed opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten”. Kijk maar naar een van de eerste werken straks, waarop je het eerste mensenpaar zult zien. Adam zwart, Eva wit, we treffen ze aan juist na de legendarische schepping van Eva uit de rib van Adam. Daarom zie je een witte plek op de ribbenkast van Adam: daar is ze uit gekomen, hij is niet helemaal heel meer. Om hen heen zijn kersen, amandelen, perziken, en granaatappels. En vijgen, maar bladloze vijgen – een motief dat in deze tentoonstelling vaker terugkomt. Want wanneer kregen de vijgen blad? Toen vijgenbladeren nodig waren, toen de onschuld verdwenen was.

Het woord paradijs hangt etymologisch samen met woorden die naar heining of omheining verwijzen. Het werd voorgesteld als een omheinde tuin, een veilige plaats. En het is dan aardig om te zien hoeveel heiningen en hekjes er in de tekeningen en textielen te zien zijn.

De beelden maakten bij mij gedachten los over de omheining, de beperking, en de begrenzing. Het is alsof de mensen op de tekeningen constant hun beperkingen moeten voelen, alleen al door de manier waarop ze in het beeld geplaatst zijn, met hier eens een voet afgesneden (die paste er niet meer in) of op een ander moment een hand onhandig geknikt. Alsof de mensenfiguren in een net iets te beperkte ruimte zijn terechtgekomen, waar ze zich een beetje moeten wringen of manoeuvreren om helemaal zichzelf te kunnen zijn. Met uitzondering natuurlijk van de zwever in het blauw die helemaal vrij in de sterrenhemel hangt: een bevrijdende figuur, alleen al daarom.

Soms kijken die mensenfiguren ons aan. Soms gaan ze op in hun eigen wereld, met half-gesloten of gesloten ogen. Dat kan een pijnlijke wereld zijn – ik denk aan Adam’s Lament , en aan het werk dat de titel Miserere draagt. Daar ligt iemand met opgetrokken benen, om hem heen is de grond bezaaid met stokken en doorntakken die op prikkeldraad lijken, het soort draad waarvan mijn vader altijd zei dat het een duivelse uitvinding was.

Het paradijs: een toestand van geluk, vrede en liefde die vlakbij is en toch altijd weer van ons weg wijkt. Als je je hand ernaar uitstrekt, is het je alweer ontsnapt. Is het paradijs dan onbereikbaar? Of kunnen we het toch aanraken, even langs voelen scheren, en soms even binnen onze eigen sfeer halen?

Midden in de tentoonstelling zit een man te mediteren op een krukje, of je kunt ook zeggen: hij is in gebed verzonden. Deze tekening staat ook op de poster, en ik heb gehoord dat de vader van Janpeter zich in deze man herkende, maar het kan natuurlijk ieder van ons zijn.

Hij bereikt al mediterend de toestand die Nietzsche ooit de “windstilte van de ziel” genoemd heeft. Nietzsche verwijst daarmee naar de gelatenheid die Meister Eckhart aanbeveelt als de ware toestand van de mysticus: ontvankelijkheid, leeg worden, zodat je ziel kan volstromen met het gegevene: levensadem, natuur, de godheid die contact maakt met de grond van de ziel.

En misschien ook: het paradijs. Het toelaten van het paradijs in jezelf, de oorspronkelijke goedheid die er midden in de wereld en diep in jezelf is, maar die dikwijls uitgewist of vergeten raakt.

Ineens zag ik dat de vogels die meestal wegvluchten in deze tekening dichtbij gekomen zijn: een uil zit bij het hoofd van de man, een specht strijkt langs zijn hart en de merel haalt een worm uit de grond. Symbool van het aarden. En ook van de afstand die er nog bestaat tot het paradijs, want de worm gaat er wel aan: die moet nog lijden. Niet alles wordt lief als je mediteert, en je ziet het onvolmaakte misschien zelfs scherper als je je ogen open doet.

Tenslotte: de tentoonstelling eindigt met een beeld dat over aanraken gaat. Ik wil daar iets over zeggen in de hoop dat u al die andere momenten dat de aanraking ook in het geding is beter zult opmerken. Het is de meest recente tekening, en de titel is Tuinman.

Opnieuw zien we twee mensen in een tuin, een man en een vrouw. Het is niet de paradijstuin, maar het zou de opstandingstuin kunnen zijn. De vrouw strekt haar hand uit naar een man en raakt hem bijna aan. Kunnen we nu het paradijs binnengaan? – dat lijkt ze te vragen.

Janpeter vertelde mij dat het motief ‘raak mij niet aan’ voor hem belangrijk is. In het latijn: noli me tangere.  Het zijn de woorden die Jezus tegen Maria Magdalena zegt als ze hem ineens herkent in de hof waar ze zijn gestorven lichaam zoekt. Ze ziet iemand en denkt dat het de tuinman is. En ze zegt tegen hem: ‘als u hem hebt weggehaald, zeg dan waar hij nu is’. Dan zegt de man in de tuin maar één woord: ‘Maria’. Het is genoeg voor haar om hem te herkennen: hij die ze zocht is hier en hij leeft. Hij is hier, maar niet grijpbaar. Als ze hem wil vastpakken zegt hij woorden als: ‘houd me niet vast, raak me niet aan’.

Ik denk dat dat ook het paradijs is. Hier, maar niet grijpbaar. Het komt langs, we kunnen het niet vasthouden. Wel kan iemand het tekenen, uittekenen hoe het dichterbij komt en dan weer wegzweeft, zoals Janpeter Muilwijk nu heeft gedaan. Zodat wij op reis kunnen gaan “in paradisum”. En kijken met open ogen.

De zwevende, 2009
De zwevende, 2009